Kloppenkamer

De kloppenkamer werd in 1786 aangebouwd aan een bestaande woning in opdracht van het echtpaar Janne Schildman en Janna Bloemen. In hetzelfde jaar werd rechts van de kloppenwoning een huiskerk en pastorie ingewijd.

De bewoonsters van de kloppenkamers waren vrouwen die voor een zelfstandig dus onafhankelijk leven kozen, niet gebonden aan een man of klooster. Zij traden niet in een orde, maar leefden volgens een eigen religieuze vorm en werden “geestelijke maagd”. Hieraan is ook het begrip “klop” verbonden: een naam, die al rond 1500 werd genoemd. Het was Christus, die aan de harten van de gelovige vrouwen klopten op basis van de tekst : “Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop, open de deur en Ik zal maaltijd met u houden”. In dit korte woord is het mythische huwelijk begrepen. Van de kloppen werd verwacht in hun eigen onderhoud te voorzien. Vanaf het begin van de reformatie was het geven van godsdienstonderricht aan rooms-katholieke kinderen hoofdzaak. In de 17e eeuw verrichtten de vrouwen ook pastoraal werk bij gebrek aan priesters. Rond 1780 bleven taken over als zorg voor zieken en stervenden { de “Bidjannöäkes”}, onderhoud van de kerk en het interieur en andere werkplaatsen. Maar ze zorgden ook voor hun eigen onderhoud met spinnen en weven. In de 19e eeuw werden de klopjes door het bisdom van hun taken ontheven. Ze werden geacht zich bij de Derde Orde van Franciscus aan te sluiten. We vinden ze terug op de werkvloer in de keukens van boerderijen, in de textielindustrie en dergelijke. Het is dan de tijd, om de kloppen niet meer serieus te nemen. De laatste Bornse klop: Engelina Roelvink { “Mantjes-Engel”} stierf in het vroege begin van de twintigste eeuw.

Contactgegevens

Zoek advies